Egyptische antieke sieraden

Sieraden in het oude Egypte hadden niet alleen een decoratieve maar ook een kwaadafwerende functie. Daarnaast gaven ze uiting aan de identiteit van de drager. De grondstoffen voor de sieraden waren rijkelijk in de woestijn voorkomende edelmetaal, edelstenen en mineralen. Drie hoogtepunten van de sieraadkunst uit het Nieuwe Rijk: een collier van kornalijnen oedjat-ogen en lapis lazuli insecten, met een gouden hanger (Bes en Hathor) tussen gouden leeuwenkopjes; een ketting van kornalijnen korenbloemen en gouden vissen; en een ketting van lapis lazuli vliegjes in goud cloissoné.

 

Sieraadkunst

 

Al in de vroegste fasen van de faraonische cultuur hebben de Egyptische handwerkslieden goede prestaties geleverd op het gebied van de sieraadkunst. Dankzij een fabelachtige beheersing van materialen en een uitermate verfijnde smaak, waren zij in staat grootse meesterwerken op zeer kleine formaten te creëren. Sommige hiervan horen bij het beste en mooiste dat de mensheid op dit gebied ooit tot stand heeft gebracht.

Voorwerpen die bestemd waren voor de versiering van het lichaam, zoals halskettingen, oorringen en oorhangers, pectoralen, armbanden en vingerringen, hadden niet alleen een decoratieve functie, maar waren tevens amuletten, bedoeld om kwade machten van hun dragers af te weren of, omgekeerd, om het algemeen goede aan te trekken en de bescherming van een bepaalde goddelijke macht te verkrijgen. Een scheidslijn tussen sieraad en amulet valt daarom niet te trekken en vanwege hun magische betekenis mochten sieraden natuurlijk ook in de wereld van de doden niet ontbreken. De kracht die iemand tijdens zijn leven aan zijn dierbare juwelen had toegeschreven, kon ook in het hiernamaals niet worden gemist, vooral omdat sieraden niet alleen bescherming boden, maar de drager ervan ook een zekere identiteit verleenden.

 

Vormen en motieven

 

De grondstoffen voor hun sieraden vonden de Egyptenaren in de eerste plaats in eigen land. De woestijnen waren rijk aan edelgesteenten, mineralen en goud.

Juwelen werden door mannen en vrouwen gedragen. Dat was vooral in het Nieuwe Rijk het geval, toen de welvaart geen grenzen kende. De sieraden uit die periode, met als absoluut hoogtepunt de regeringen van de farao’s uit de 18e dynastie, blinken uit door een grote variëteit aan vormen en motieven.

Een greep uit de kostbare sieradenverzameling van het Rijksmuseum van Oudheden moge de zojuist gedane lofuitingen op de faraonische sieraadkunst illustreren.

De collier bovenaan is samengesteld uit amuletten van allerlei vorm. Hiertussen zijn oedjat-ogen (opengewerkt of geciseleerd in een plaatje), vliegen, scarabeeën, een vis en een hartvaas-amulet te onderscheiden, gemaakt van kornalijn, lapis lazuli en goud. Het centrale element van de ketting wordt gevormd door een ovale kraal van kornalijn, die wordt geflankeerd door leeuwinnenkopjes en vaasvormige kralen van goud. Onder deze kraal hangt een gouden hanger in de vorm van de god Bes met een rechthoekig, gouden plaatje waarop de koegodin Hathor in een papyrusbosje is afgebeeld.

De ketting in het midden bestaat uit paren van kralen in de vorm van korenbloemen, gemaakt van kornalijn en afgewisseld door ronde en bladvormige kralen van hetzelfde materiaal en fijngeciselleerde vissen in goud. In het centrum ook hier weer een kornalijnen amulet. Deze fraaie collier zou uit de grafschat van generaal Djehuti stammen. Van deze vooraanstaande man, een tijdgenoot van farao Thoetmosis III, bevat de Leidse collectie meer voorwerpen, zoals het slot van een halskraag.

 

De onderste halsketting is opgebouwd uit 31 hangertjes die de vorm hebben van een vlieg. De insekten zijn gemaakt volgens de cloisonnétechniek: in goud gegoten cellen zijn ingelegd met lapis lazuli en rood glas. Tussen de vliegen zijn ovale kralen van blauwe en groene glaspasta geregen.

De oudste oorringen van het geribbelde type zijn aangetroffen in een Thebaans graf uit de 17de dynastie. Dergelijke oorsieraden waren vooral onder het bewind van Thoetmosis III in de mode. Zij behoorden tot de traditionele geschenken aan hoge ambtenaren die zich om bepaalde redenen verdienstelijk hadden gemaakt en met het zogeheten ‘eregoud’ werden onderscheiden. Vaak droeg men in elk oor van dit soort ringen. Zij bestaan uit vier tot zes aan elkaar gesoldeerde, uit goudblad gevormde buisjes met een driehoekig profiel. Het gave exemplaar in Leiden heeft een diameter van 5,8 cm. De middelste twee van de zes buisjes zijn langer dan de buitenste buisjes en konden door een doorboorde oorlel worden geschoven.

 

Bron: www.museumkennis.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *