Hans van Solt, koopman, verzekeraar en liefhebber van het landjuweel

Het is hoogst waarschijnlijk dat Hans van Solt de Jonge lid was van de Rederijkerskamer Het Wit Lavendel. Een rederijkerskamer bestond uit een groep burgers met belangstelling voor dichtkunst en toneelspel.

Antieke sieraden

Al voor het begin van de Opstand tegen Spanje [1568-1648] had koning Filip -II alle literaire uitingen verboden die kwetsend zouden kunnen zijn voor orthodoxe gelovigen of beledigend voor de clerus. Na de overgang van de Noordelijke Nederlanden naar het protestantisme ontstonden er dikwijls conflicten met calvinistische fundamentalisten die de frivoliteiten van de rederijkerskamers niet op prijs stelden. Rederijkerskamers werden door het stadsbestuur ook wel ingeschakeld bij feesten, zoals de blijde inkomst van de Landsheer of Landsvrouwe, en bij het organiseren van optochten en toneelvoorstellingen in het openbaar. In die zin bepaalden zij mede het aanzien van de stad. Zij organiseerden ook landjuwelen waarbij de kamers uit verschillende steden wedijverden in het opvoeren van toneelstukken en het houden van symbolische optochten. Tijdens een periode van luwte in de strijd met Spanje werd op 31 augustus 1606 door de oudste rederijkerskamer van Haarlem “d’ Aloude Rethorijckkamer der Pellicanisten” onder de zinspreuk Trou Moet Blycken een landjuweel uitgeschreven in het kader van de Haarlemse loterij.

Prachtwerk

Zelfs de Haarlemse rector Cornelius Schonaeus werkte met een Latijnse komedie ijverig mee. Het was een der schitterendste landjuwelen, die er in Noord-Nederland zijn gehouden, zoals o.a. blijkt uit het ‘Const-thoonende Juweel’, een prachtwerk met platen, waarin alles is opgenomen, wat daar te zien en te horen viel. De kamer bestond al sinds [of voor] 1503. Het was waarschijnlijk de secretaris van de Pellicanisten die een verslag van het landjuweel schreef, dat in het archief van de sociëteit “Trou moet blycken” bewaard is gebleven. Hij verhaalt hoe de bewindhebbers van de loterij aan het bestuur van de kamer verzochten om een landjuweel te organiseren. De stad had in het houden daarvan ten laetsten geconsenteert, om also den menschen tot een milde hant tot den armen te verwecken. Schrevelius uitte in zijn verslag van het landjuweel de wat gepeperder opvatting dat het stadsbestuur er heil in zag omdat het wel en wijsselijck gheoordeelt hadde, dat het botte volck meer door levendighe exempelen van deughden dan door [het] stomme maecksel van kostelijcke prijsen tot mildadigheydt en wercken van barmhertigheydt konde beweecht worden. Daarom had men toneelspelen [verordonneert]. Deze moesten echter niet nae de wijse van de oude Romeynen [gespeeld worden] in wulpsheydt en dertelheydt, niet schimpigh of bits, of onkuysch in de oogen van eerlijcke luyden, (…] maar heylich van inhoudt, kuysch en stichtelijck. In juli 1606 werd het programma voor het landjuweel vastgesteld, alsmede de thema’s die de rederijkerskamers moesten verwerken in hun intrede, hun zinnespelen en hun liedekens en refereijnen. Op 31 juli 1606 zond “d’ Aloude Rethorijckkamer der Pellicanisten” twee leden af, vergezeld van haar bode, het blazoen der Kamer om de hals dragend aan een rood fluwelen band, waarop met zilveren letters de spreuk Trouw moet blijken geborduurd was. Zij werden uitgezonden om de kaart te bezorgen, waarbij alle Hollandse Rederijkerskamers werden uitgenodigd om tegen 22 oktober in de Haarlemmerhout te verschijnen en een wedstrijd te houden in de beantwoording der vraag “Die de armen liefdich troost wat loon dezulk verwacht?” En “Als ook wat straffe fel die troostloos haer veracht?” De prijs bestond uit een zilveren beker van 24 lood; de kamer die het fraaiste blazoen meebracht ontving een beker van 12 lood, terwijl onderscheiden andere prijzen in zilver, ongeveer 40 in getal, door een door de stad benoemde jury toe te wijzen, werden uitgeloofd: “voor die het best hun spel uitvoerden, voor die het fraaiste lied dichten en zingen zou, voor die het meest in de loterij zou inleggen, voor die de schoonste vuurwerken maken zou enz.”
Twaalf kamers namen de uitnodiging aan; zij werden de avond van 21 oktober in Haarlem in de Hout door de Pellikanisten ontvangen en verwelkomd, en trokken vervolgens de stad in, voorafgegaan door de Rector van de Latijnse school, met docenten en de leerlingen. Zij waren allen gekleed in ronde, met wit afgezette, rokken en werden geleid door Mercurius, die als heraut het wapen der stad op zijn wapenrok voerde. Op deze volgden twee jongelingen, die het blazoen der Pellikanisten droegen, de trommelslager en de vaandrig; laatstgemelde in rood karmozijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *