Het belang van antieke sieraden bij de Oude Grieken

De Grieken begroeven hun doden plat op de rug en in het algemeen uitgestrekt. Men kende in hoofdzaak twee typen graven: het putgraf; een eenvoudig rechthoekig gat in de grond, en het kistgraf; een putgraf waarvan de wanden bekleed zijn met platen van steen of terracotta. Vanaf de zevende eeuw v. Chr. treft men in Athene ook begraving in houten kisten of op aanligbedden (klinae) aan en vanaf circa 500 v. Chr. ook in sarcofagen (baulai). Ook rond 500 v. Chr. wordt het dakpangraf (een graf bedekt met dakpannen) geïntroduceerd. Dit graftype is zeer populair in de hellenistische periode (circa 300 v. Chr. tot 100 n. Chr.). Voor kinderen nemen vanaf de vijfde eeuw v. Chr. badkuipjes de plaats van potten in.
Vanaf de protogeometrische periode (vanaf ongeveer 1150 v. Chr.) kon over de (duurdere) graven een grafheuvel (tymbos) opgeworpen worden.
Bovenop deze heuvel werd doorgaans een grafvaas, beeld of grafsteen geplaatst. Vanaf de zevende eeuw v. Chr. werden er ook grafgebouwtjes opgetrokken. Wanneer er geen grafheuvel of grafgebouwtje was aangelegd, werd de plek van het graf gemarkeerd door stenen, al dan niet voorzien van de naam van de overledene.

Aan het eind van de vijfde eeuw v. Chr. werd bij de meer welgestelden het familiegraf (peribolos) populair. Voor een dergelijk graf werd een stuk grond afgescheiden en naar de weg toe voorzien van een façade. Direct achter de façades werden de grafstenen van de leden van de familie opgesteld. Het graf zelf werd aangegeven door een eenvoudige zuil (koiniskos) met daarop de namen van de overledenen.

Sieraden en wapens in het graf

In het antieke Griekenland werden aan de doden bijgaven meegegeven in het graf. Grafgiften waren echter geen noodzaak voor de Grieken, daar de doden niet geacht werden lichamelijke behoeftes te hebben in het hiernamaals, behalve op weg naar de onderwereld. In de bijgaven lijkt zich de (vermeende) welvaart van (de familie van) de overledene te weerspiegelen.
Hoewel in vroegere tijden (vanaf circa 1150 v. Chr.) voornamelijk sieraden en wapens werden meegegeven in het graf, raakten deze giften in de oriëntaliserende en archaïsche periode (de zevende en de zesde eeuw v. Chr.) uit de mode. Uit deze tijd is enkel aardewerk als grafgift teruggevonden. Dit aardewerk plaatste men meestal niet in de graven, maar op houten offertafels, die in zogenaamde offersleuven gezet werden.
In de klassieke tijd (de vijfde en de vierde eeuw v. Chr.) diende aardewerk nog steeds als voornaamste bijgave. Typisch Attische grafgiften uit deze tijd zijn de witgrondige lekythen, olieflesjes met een witte ondergrond, waarop voorstellingen werden aangebracht.
Deze lekythen zijn zeer populair in de vijfde eeuw v. Chr. Maar ook persoonlijke zaken werden in de klassieke tijd aan de doden meegegeven. Men kan hierbij denken aan spiegels voor vrouwen enstrigiles, welke gebruikt werden om olie en vuil van het lichaam te schrapen, voor mannen. Speeltjes als ledenpoppen en bikkels zijn aangetroffen in graven van kinderen, evenals zogenaamde choës. Een chous is een met scènes uit het baby- en peuterleven versierd kannetje waaruit driejarige jongetjes hun eerste, aangelengde wijn te drinken kregen. Zuigkannetjes en borstkolven dienden als grafgiften voor baby’s.
In de hellenistische periode (300 v. Chr. – 100 n. Chr.) is het aardewerk beperkt tot de zogenaamde traandruppelflesjes. De persoonlijke bijgaven zijn hetzelfde als in de klassieke tijd. Ook werden in deze periode veel terracottabeeldjes in de graven meegegeven.

Bron: www.museumkennis.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *