-
Hans van Solt, koopman, verzekeraar en liefhebber van het landjuweel
Geplaatst op oktober 11th, 2010 Geen reactieHet is hoogst waarschijnlijk dat Hans van Solt de Jonge lid was van de Rederijkerskamer Het Wit Lavendel. Een rederijkerskamer bestond uit een groep burgers met belangstelling voor dichtkunst en toneelspel.
Antieke sieraden
Al voor het begin van de Opstand tegen Spanje [1568-1648] had koning Filip -II alle literaire uitingen verboden die kwetsend zouden kunnen zijn voor orthodoxe gelovigen of beledigend voor de clerus. Na de overgang van de Noordelijke Nederlanden naar het protestantisme ontstonden er dikwijls conflicten met calvinistische fundamentalisten die de frivoliteiten van de rederijkerskamers niet op prijs stelden. Rederijkerskamers werden door het stadsbestuur ook wel ingeschakeld bij feesten, zoals de blijde inkomst van de Landsheer of Landsvrouwe, en bij het organiseren van optochten en toneelvoorstellingen in het openbaar. In die zin bepaalden zij mede het aanzien van de stad. Zij organiseerden ook landjuwelen waarbij de kamers uit verschillende steden wedijverden in het opvoeren van toneelstukken en het houden van symbolische optochten. Tijdens een periode van luwte in de strijd met Spanje werd op 31 augustus 1606 door de oudste rederijkerskamer van Haarlem “d’ Aloude Rethorijckkamer der Pellicanisten” onder de zinspreuk Trou Moet Blycken een landjuweel uitgeschreven in het kader van de Haarlemse loterij.
Prachtwerk
Zelfs de Haarlemse rector Cornelius Schonaeus werkte met een Latijnse komedie ijverig mee. Het was een der schitterendste landjuwelen, die er in Noord-Nederland zijn gehouden, zoals o.a. blijkt uit het ‘Const-thoonende Juweel’, een prachtwerk met platen, waarin alles is opgenomen, wat daar te zien en te horen viel. De kamer bestond al sinds [of voor] 1503. Het was waarschijnlijk de secretaris van de Pellicanisten die een verslag van het landjuweel schreef, dat in het archief van de sociëteit “Trou moet blycken” bewaard is gebleven. Hij verhaalt hoe de bewindhebbers van de loterij aan het bestuur van de kamer verzochten om een landjuweel te organiseren. De stad had in het houden daarvan ten laetsten geconsenteert, om also den menschen tot een milde hant tot den armen te verwecken. Schrevelius uitte in zijn verslag van het landjuweel de wat gepeperder opvatting dat het stadsbestuur er heil in zag omdat het wel en wijsselijck gheoordeelt hadde, dat het botte volck meer door levendighe exempelen van deughden dan door [het] stomme maecksel van kostelijcke prijsen tot mildadigheydt en wercken van barmhertigheydt konde beweecht worden. Daarom had men toneelspelen [verordonneert]. Deze moesten echter niet nae de wijse van de oude Romeynen [gespeeld worden] in wulpsheydt en dertelheydt, niet schimpigh of bits, of onkuysch in de oogen van eerlijcke luyden, (…] maar heylich van inhoudt, kuysch en stichtelijck. In juli 1606 werd het programma voor het landjuweel vastgesteld, alsmede de thema’s die de rederijkerskamers moesten verwerken in hun intrede, hun zinnespelen en hun liedekens en refereijnen. Op 31 juli 1606 zond “d’ Aloude Rethorijckkamer der Pellicanisten” twee leden af, vergezeld van haar bode, het blazoen der Kamer om de hals dragend aan een rood fluwelen band, waarop met zilveren letters de spreuk Trouw moet blijken geborduurd was. Zij werden uitgezonden om de kaart te bezorgen, waarbij alle Hollandse Rederijkerskamers werden uitgenodigd om tegen 22 oktober in de Haarlemmerhout te verschijnen en een wedstrijd te houden in de beantwoording der vraag “Die de armen liefdich troost wat loon dezulk verwacht?” En “Als ook wat straffe fel die troostloos haer veracht?” De prijs bestond uit een zilveren beker van 24 lood; de kamer die het fraaiste blazoen meebracht ontving een beker van 12 lood, terwijl onderscheiden andere prijzen in zilver, ongeveer 40 in getal, door een door de stad benoemde jury toe te wijzen, werden uitgeloofd: “voor die het best hun spel uitvoerden, voor die het fraaiste lied dichten en zingen zou, voor die het meest in de loterij zou inleggen, voor die de schoonste vuurwerken maken zou enz.”
Twaalf kamers namen de uitnodiging aan; zij werden de avond van 21 oktober in Haarlem in de Hout door de Pellikanisten ontvangen en verwelkomd, en trokken vervolgens de stad in, voorafgegaan door de Rector van de Latijnse school, met docenten en de leerlingen. Zij waren allen gekleed in ronde, met wit afgezette, rokken en werden geleid door Mercurius, die als heraut het wapen der stad op zijn wapenrok voerde. Op deze volgden twee jongelingen, die het blazoen der Pellikanisten droegen, de trommelslager en de vaandrig; laatstgemelde in rood karmozijn. -
Antieke sieraden spreken tot de verbeelding
Geplaatst op september 30th, 2010 Geen reactieSchitterende sieraden
Het versieren van je lichaam is waarschijnlijk zo oud als de mensheid. Het is de manier om iets dat in principe bij iedereen ongeveer hetzelfde is, te individualiseren en te doen opvallen. Beschildering, tatoeage en piercing van lichaamsdelen, maar vooral het jezelf behangen met blinkende en kleurrijke voorwerpen zijn universeel en typisch menselijk. Per cultuur verschillen de versieringen sterk, maar vrijwel overal is een voorkeur te zien voor drie zaken: dat wat beschermt, wat veel kleur heeft, en wat (geldelijke) waarde heeft. Ook in onze huidige, West-Europese samenleving voldoen sieraden nog aan deze criteria: denk aan medaillons met Maria en handen van Fatima, aan gekleurde kralensnoeren en fonkelende edelstenen, aan bling-bling en vooral aan goud. Een exclusief juweel mag duurder zijn dan een auto. Zeker als je er een vrouw voor het leven mee kunt versieren…
Archeologische juwelen
Ook opgegraven sieraden spreken tot de verbeelding. Uit de hele opbrengst van een archeologisch onderzoek wordt vaak een juweel van een vondst gekozen om aan pers en publiek te tonen, zoals de Griekse hanger uit Sint-Oedenrode in 2006. Sieraden uit een ver verleden maken indruk omdat hun waarde ook nu nog makkelijk in te voelen is. Dit in tegenstelling tot voorwerpen van onooglijker materiaal, al kunnen die in de toenmalige cultuur veel waardevoller zijn geweest. Sieraden zijn in archeologische publicaties en musea prominent aanwezig. Als met groot vakmanschap gemaakte kleinoden, die mensen met zich hebben meegedragen, vormen ze een persoonlijke getuigenis van de smaak in een andere tijd. De combinatie van hun waardes toen en nu maakt ze tot populaire objecten – die extra aandacht en beveiliging krijgen. In hetRijksmuseum van Oudheden zijn duizenden sieraden aanwezig uit het Oude Egypte, het Oude Nabije Oosten, de Klassieke Wereld en het vroege Nederland. De oudste sieraden in de collectie zijn 7500 jaar geleden gedragen, de meest recente stammen uit de 14de en 15de eeuw. Sieraden zijn vooral in graven gevonden. In de meeste gevallen zijn mensen dan begraven met hun kleding en sieraden aan. Daarnaast werden sieraden na crematie bij de dode neergelegd of speciaal gemaakt voor het leven na de dood. Een voorbeeld van dat laatste zijn de vele kralen en amuletten die in het Oude Egypte in de verpakking van een mummie werden verwerkt Maar ook in andere contexten zijn juwelen gevonden. Hoewel iedereen er in principe voorzichtig mee is, werden ze natuurlijk wel eens verloren. En vanwege hun waarde, geldelijk én intrinsiek, werden ze gekozen als offer aan goden of hogere machten. Er zijn in Nederland schatten gevonden uit de Vroege Middeleeuwen die helemaal uit gouden sieraden bestaan.
Kostbaar
Omdat sieraden kostbaar zijn, worden ze zelden tot afval. De genoemde Griekse hanger uit Sint-Oedenrode was een gouden vatting van rond het jaar 1000, met daarin een steen met ingesneden voorstelling (een camee) uit de 3de eeuw voor Chr. Die steen is in de tussentijd beslist nog wat anders geweest, zoals deel van een Romeinse ring en een middeleeuwse boekband of reliekhouder. Veel van de sieraden uit de Klassieke Oudheid die niet uit de grond komen, zijn bewaard gebleven omdat ze steeds opnieuw werden gebruikt. Daarbij lijkt de voorstelling niet zo belangrijk te zijn geweest, maar het feit dat het voorwerp al oud was wél. Dit zien we ook terug in munthangers, waarin vaak munten zijn verwerkt die al eeuwen uit de roulatie waren en hun geldelijke waarde dus al hadden verloren. Het jezelf tooien met oud geld is in de klassieke wereld en de Middeleeuwen aanwijsbaar.
Gouden oorhangers en halskettingen
Sieraden zijn zo’n vast onderdeel van het uiterlijk, dat ze vaak op portretten zijn afgebeeld. Omdat sieraden daar daadwerkelijk gedragen worden, zijn deze afbeeldingen een goede bron voor de mode in een bepaalde tijd. Beroemd zijn de geschilderde portretten die in de Romeinse tijd in Egypte op mummies werden aangebracht. Vrouwen dragen op deze portretten vaak gouden oorhangers en halskettingen, terwijl jonge jongens vaak zijn afgebeeld met een bulla om hun hals. Dit is een rond amulet waarin iets kon worden gedragen, dat een vrijgeboren Romein kreeg tegelijk met zijn naam en aflegde bij het bereiken van de volwassenheid. De Romeinen namen dit gebruik van de Etrusken over en ook Etruskische sculpturen van kinderen tonen regelmatig de bulla. Ook Egyptische reliëfs, Griekse en Romeinse sculptuur en middeleeuwse schilderingen tonen vaak sieraden.
Bron: www.museumkennis.nl
-
Antieke sieraden in de prehistorie
Geplaatst op augustus 18th, 2010 Geen reactieVolgens archeologen dateren ‘kunst’ en ‘symbolisch gedrag’ van 40000 jaar geleden, de tijd van de ‘creatieve explosie’ ofwel de tijd dat de Neanderthalers werden verdrongen door de Cro-Magnon mens. Juist? Waarschijnlijk niet. Niet alleen dat deze opvatting alleen maar voor Europa zou kunnen gelden, oudere vondsten logenstraffen ook deze opvatting. Ook bij de homo erectus was sprake van bepaalde kunst- en cultuuruitingen.
Zo zijn er versierde vuistbijlen gevonden uit het Acheuléen (2 miljoen–300000 jaar geleden), speciaal gearrangeerde kristallen in India uit dezelfde periode, versierde stenen en botten van 300000 jaar geleden (Bilzingsleben), een even oud vuurstenen beeldje (Berekhat Ram; Heilige Land), kralen van 130000 jaar terug (Skhul; Israël en Oued Djebbena; Algerije), vuursteen met complexe tekens (Golan hoogvlakte) van 55000 jaar terug etc.
Deze vondsten weerleggen de stelling dat er pas 40000 jaar geleden een culturele explosie heeft plaats gevonden. Zeer waarschijnlijk behoorden taal, kunst en religie reeds tot de culturele uitingen van de homo erectus en de Neanderthaler. Wellicht lag een oudere beschaving hieraan ten grondslag?Nomaden
Hoe dit te rijmen valt met het nomadische leven, dat de Neanderthaler geleid zou hebben, valt niet goed te verklaren. Volgens – met name Leidse – archeologen was de Neanderthaler een jager op groot wild, die steeds achter de kudden aan moest trekken. Dit omdat hij vanwege zijn energiebehoefte per dag grote hoeveelheden vlees moest eten. Onderschatten we deze jagers cultureel?
Persoonlijke sieraden
Natuurlijk nemen de kunstvondsten in aantal toe naarmate we in recentere tijd komen. Persoonlijke sieraden van schelpen, koraal, tanden, ivoor, kalksteen, been en gewei duiken overal in Europa op vanaf 40000 jaar geleden. Grotschilderingen komen overal voor en zijn vaak van aanzienlijker ouderdom (30000) dan die in de grotten van Altamira en Lascaux. In Amerika dateren ze uit 16000-12000vC, ouder dan de immigratie over de Beringstraat. Aan de Venusbeeldjes uit het Gravettien 25000 jaar geleden) gingen in heel Eurazië beeldjes van vrouwenfiguren en vulva-afbeeldingen vooraf uit het Aurignacien (31000 jaar geleden). Bewerkte muziekinstrumenten uit botten, beenderen en ivoor (raspen, schrapers, fluitjes, trompetschelpen) dateren uit het Solutréen/Magdalenien (20000-8000).
Bewoning
Zeer waarschijnlijk is de homo erectus ook eerder uit Afrika gaan trekken dan tot nu toe werd aangenomen. Zo is vastgesteld dat bijna 2 miljoen jaar geleden India (Rawalpindi) reeds bewoond was, 1.8 mln jaar geleden Andalusië (Spanje), China en Java, 600000 jaar geleden Japan. Het Indonesische eiland Flores, dat ook toen slechts bereikt kon worden overzee, was reeds tussen 1 en 0.5 mln jaar geleden bewoond. Recente vondsten van vroege artefacten wijzen ook op bewoning van Siberië door de homo erectus (1-0.5 mln jaar geleden). Om zich in dit klimaat staande te houden zal hij vuur hebben moeten kunnen maken en bontkleding dragen. Dat wijst op een cultuur, die verder ontwikkeld was dan men doorgaans aan de homo erectus wil toeschrijven.
Sommige archeologen achten het mogelijk dat de Chinese en Siberische volken in die tijd ook overgestoken kunnen zijn naar Noord-Amerika. Artefacten van de vindplaats Calico Mountains zouden wijzen op bewoning 200000 jaar geleden. Uit dezelfde periode ongeveer zouden artefacten dateren in Brazilië (Esperança grot).
Bron: www.frontierscience.nl


